—
Bron: dPi2025 · prognose
Bron: dPi2025 · prognose
i
De Forward Looking Benchmark vergelijkt woningcorporaties op basis van hun dPi-prognoses.
Per kengetal zie je de reeks van je eigen corporatie(s), de benchmarklijn (blauw), de IQR-band (het lichte vlak, in de legenda "middelste 50%") en waar van toepassing de norm (rode stippellijn). Onder de grafiek staan dezelfde cijfers in een tabel, per jaar: je eigen corporatie(s), de benchmark en de onder- en bovengrens van de band. Daaronder staat in één zin wat het kengetal is.
Hoeveel corporaties er in deze jaargang meedoen lees je in de bronregel boven de grafiek; je positie binnen de groep staat in de toelichting ernaast.
DAEB is de gereguleerde tak van de toegelaten instelling, niet-DAEB de commerciële tak binnen diezelfde toegelaten instelling, en Ti is de optelsom van die twee.
Niet-DAEB-activiteiten die in een verbinding zijn ondergebracht (een aparte rechtspersoon, zoals een woningvennootschap of BV) tellen hier niet in mee. Heeft jouw corporatie verbindingen, dan ligt je totale niet-DAEB-positie hoger dan wat je hier ziet.
Alle verhuureenheden tellen mee, maar niet even zwaar: zelfstandige en onzelfstandige woonruimte, bedrijfsruimte en intramuraal zorgvastgoed tellen 1×, maatschappelijk vastgoed 2×, overig bezit en parkeergelegenheden 0,2×. De optelsom is de gewogen VHE. De "per VHE"-kengetallen (zoals huur of onderhoud per eenheid) delen door deze gewogen VHE.
De benchmark is een gewogen gemiddelde: corporaties met meer gewogen VHE tellen zwaarder mee. De lijn benadert daarmee "de sector als geheel" (totale teller gedeeld door totale noemer), in plaats van de gemiddelde corporatie.
De band loopt van het eerste kwartiel (Q1) tot het derde kwartiel (Q3) van de deelnemende corporaties: het middenveld waar de middelste helft van de corporaties zit. Hier telt, anders dan bij de benchmarklijn, elke corporatie even zwaar, groot of klein. Dat geldt ook voor de positie die de toelichting noemt ("positie 3 van 12").
Beide volgen het beoordelingskader van de Aw en het WSW, zodat de uitkomsten aansluiten op de cijfers die je van de Aw krijgt.
Voor de ICR is de teller de operationele kasstroom vóór rente. De noemer is de rentelast die de tak zélf draagt: leent zij een deel door aan een andere tak, dan gaat de rente die zij daarop ontvangt eraf.
Voor de LTV is de teller de schuldpositie, opgebouwd uit acht balansposten (schulden aan overheid, banken, groepsmaatschappijen en deelnemingen, zowel lang- als kortlopend), verminderd met een doorgeleende interne lening of startlening en met het agio. Verplichtingen uit verkoop onder voorwaarden, overige schulden, leveranciers, belastingen en overlopende passiva tellen dus niet mee. De noemer is de beleidswaarde van het vastgoed.
De rode stippellijnen zijn de gangbare sectornormen: ICR minimaal 1,4 (DAEB) en 1,8 (niet-DAEB), LTV maximaal 70%.
De benchmark wordt per dPi-jaargang berekend: elke jaargang vergelijkt uitsluitend aanleveringen van datzelfde dPi-jaar. Binnen de lopende jaargang wordt de benchmark doorlopend bijgewerkt zodra corporaties hun dPi-prognose aanleveren; de benchmarklijn, de band en je positie kunnen daardoor veranderen naarmate er deelnemers bijkomen of cijfers opnieuw worden aangeleverd. Zijn er meerdere jaargangen beschikbaar, dan blader je met de jaargang-keuze bovenin terug. De cijfers zijn prognoses uit de dPi, geen realisaties.